| Ballingschap Het was niet
de goedheiligman uit Spanje, maar prins Willem Frederik van Oranje
die voor deze blijdschap zorgde. Willem Frederik, oudste zoon van
de gevluchte stadhouder Willem v, had tot dit ogenblik in ballingschap
in Engeland en Duitsland geleefd. Op 21 november 1813 had hij in
Londen bezoek gekregen van Jacob Fagel en Willem Karel de Perponcher,
twee Oranjegezinde officieren. Fagel en De Perponcher hadden de
prins een brief overhandigd met daarin de uitnodiging om naar zijn
vaderland terug te keren en als 'Soeverein vorst' de 'Hooge regeering'
op zich te nemen. De brief was ondertekend door de Haagse heren
Gijsbert Karel van Hogendorp, Adam François van der Duijn
van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum. Dit driemanschap had,
nadat de Franse autoriteiten te kennen hadden gegeven de bezetting
niet langer te willen handhaven, namens de prins in Den Haag een
voorlopig bestuur ingesteld. Willem Frederik was 'hoogst gelukkig'
met dit kordate handelen en schreef nog dezelfde dag aan Van Hogendorp:
'Ik hoop binnen weinige dagen te volgen en ik gevoel een groot ongeduld
om mij weer te vereenigen met mijn landgenooten na negentien jaren
die ik er van gescheiden ben geweest.'
|
| De mooiste dag van Jacob Pronk Een
van de heren op het strand, Jacob Pronk, was in de week voor de
komst van de prins tot provisioneel commissaris benoemd. In deze
hoedanigheid had hij, zoals Van Limburg Stirum schreef, 'Scheveningen
in 't Oranje' gezet. In januari 1795 had dezelfde Pronk 'met tranen
in de ogen' de stadhouderlijke familie bij hun vlucht geassisteerd.
De laatste woorden van Willem v op vaderlandse bodem - 'Zoo ik mijn
vaderland weder betreed, zal ik aan U gedenken' - waren in zijn
geheugen gegrift en het strand van Scheveningen was in de jaren
daarna, waarin Nederland revolutie en bezetting kende, voor hem
een plaats van verdriet geworden. Met het verschijnen van de twee
Engelse fregatten aan de horizon leek het moment van de hereniging
eindelijk daar. Engelse matrozen met korte grijze pruiken en hoge
zwarte hoeden op roeiden de prins naar het strand. Pronk vreesde
dat Willem Frederik bij het aan land gaan natte voeten zou halen
en gaf de voerman Dirk van Duijne de opdracht met zijn boerenwagen
de branding in te rijden zodat de prins kon overstappen. De barkas
kwam langszij en Willem Frederik ging op de bok naast Van Duijne
zitten, terwijl De Perponcher en de Engelse ambassadeur Clancarty
achter op de wagen plaatsnamen. Van Duijne spoorde hierop de paarden
aan het strand op te rijden. De prins zwaaide ondertussen naar links
en naar rechts. Er hadden zich zo'n honderd belangstellenden verzameld,
van wie sommigen zo blij waren Willem Frederik te zien dat ze het
water in liepen en hem probeerden aan te raken door op de wagen
te klimmen.
Als provisioneel commissaris van Scheveningen nam
Pronk de rol van ordebewaker op zich. Nadat hij zijn zoon Arie de
opdracht had gegeven zo snel mogelijk het driemanschap op de hoogte
te brengen van de gebeurtenissen in Scheveningen, leidde hij de
prins en zijn gevolg van het strand naar de hervormde pastorie in
de Keizerstraat. Hier kon Willem Frederik even op adem komen, terwijl
Pronk een rijtuig met gevolg regelde om hem naar Den Haag te brengen.
|